Hoe werkt beleggen via de BV of privé?
Voor een directeur-grootaandeelhouder (DGA) met vrij belegbaar vermogen in de BV draait de keuze meestal om het moment waarop belasting wordt betaald. Blijft het vermogen in de BV, dan wordt het beleggingsresultaat belast met vennootschapsbelasting. Box 2 komt pas in beeld wanneer u het vermogen later als dividend naar privé uitkeert.
Keert u het vermogen eerst uit en belegt u daarna privé, dan neemt het beschikbare startkapitaal direct af door de belasting in box 2. Het bedrag dat overblijft behoort vervolgens doorgaans tot uw vermogen in box 3.
Beleggen binnen de BV
Bij beleggen vanuit de BV kunnen rente, dividend, waardeveranderingen en andere beleggingsopbrengsten tot de belastbare winst behoren. De fiscale verwerking hangt af van het soort investering en het moment waarop een resultaat fiscaal wordt genomen.
De vennootschapsbelasting wordt berekend over de totale belastbare winst van de BV, dus niet alleen over het resultaat op de beleggingen. In 2026 bedraagt het tarief 19% over de belastbare winst tot en met €200.000 en 25,8% over het deel daarboven. Keert de BV het vermogen later als dividend uit naar privé, dan is daarnaast belasting in box 2 verschuldigd. In 2026 bedraagt het box 2-tarief 24,5% tot en met €68.843 en 31% over het deel daarboven.
Zolang het vermogen binnen de BV blijft, wordt de box 2-heffing uitgesteld. Hierdoor blijft tijdens de beleggingsperiode meer vermogen beschikbaar voor herinvestering. De belastingclaim verdwijnt niet: bij een latere uitkering naar privé moet alsnog in box 2 worden afgerekend.
Privé beleggen in box 3
Privébeleggingen behoren doorgaans tot het vermogen in box 3. In 2026 bedraagt het belastingtarief 36% over het berekende box 3-inkomen, niet over het volledige vermogen. Bij de standaardberekening gaat de Belastingdienst uit van fictieve rendementspercentages voor spaargeld, beleggingen en schulden.
Het heffingsvrije vermogen bedraagt in 2026 €59.357 per persoon en €118.714 met een fiscale partner. Bij schulden geldt een drempel van €3.800 per persoon en €7.600 met een fiscale partner. Alleen het deel van de schulden boven deze drempel wordt bij de forfaitaire berekening meegenomen.
U bent niet verplicht uw werkelijke rendement door te geven. Is dit lager dan het fictieve rendement, dan kunt u ervoor kiezen het wel op te geven. De Belastingdienst vergelijkt beide berekeningen en gebruikt de voordeligste uitkomst. Het doorgeven van uw werkelijke rendement kan daardoor niet tot een hogere box 3-heffing leiden.
De uiteindelijke box 3-heffing hangt ook af van uw spaargeld, overige bezittingen, schulden en een eventuele fiscale partner. Bekijk bij de Belastingdienst de actuele uitleg over de berekening van box 3 in 2026 en het doorgeven van het werkelijke rendement.